Conclusie onderzoek
In deze blogpost wordt gepoogd om alle stappen die zijn gezet in dit brede onderzoek zo concreet mogelijk samen te vatten door antwoord te geven op de hoofd- en deelvragen. Hierbij zal er voornamelijk verkennend te werk worden gegaan. Er zijn, op de vragen die gesteld worden, veel verschillende antwoorden te vinden. De antwoorden die gepresenteerd worden komen voort uit een combinatie van literatuuronderzoek, gesprekken met deskundigen en performatief onderzoek, waaronder playtests met deelnemers en eigen bevindingen. Hierbij wordt er een zorgvuldige selectie uit geraadpleegde bronnen gemaakt en de meest relevante worden gepresenteerd.
De hoofdvraag van dit onderzoek luidt als volgt:
Welke factoren dragen bij aan de ervaring van bezieling bij een object?
Hierbij wordt bezieling als volgt geduid:
"De bezieling van een object gebeurt wanneer de interactor in staat is om hun gevoelens, gedachtes en aannames op het apparaat te projecteren. Dit gebeurt vaak door een interactie met een object aan te gaan, bijvoorbeeld door tijd te spenderen om het uit elkaar te halen of door het een naam te geven."
Objecten zijn binnen de context van dit onderzoek voornamelijk gebruiksvoorwerpen. Hierbij kunnen ze een doel dienen, zoals een fiets of een mixer dat doet, maar ze kunnen ook 'nutteloos' zijn in de zin dat ze niet ontworpen zijn om een specifiek doel te dienen, zoals kleine metalen blokjes.
Vanuit de eerste, verkennende fase van dit onderzoek zijn een aantal deelvragen naar voren gekomen.
1. Welke rol speelt de factor tijd bij de ervaring van bezieling bij een object?
2. Welke rol speelt de factor beweging bij de ervaring van bezieling bij een object?
3. Welke rol speelt de factor context bij de ervaring van bezieling bij een object?
4. Welke rol speelt de factor 'relatie tot een ander persoon' bij de ervaring van bezieling bij een object?
Om antwoord te geven op de hoofdvraag zal een voor een antwoord gegeven worden op de genoemde deelvragen. De hoofdvraag zelf wordt als laatst behandeld. De selectie van relevante bronnen die worden aangehaald in dit artikel worden vermeld in een APA-lijst.
1. Welke rol speelt de factor tijd bij de ervaring van bezieling bij een object?
De hypothese voor deze deelvraag was dat, wanneer iemand veel tijd doorbrengt met een object, dit bij zou kunnen dragen aan de ervaring van bezieling. Ik heb dit getest aan de hand van een aantal performatieve onderzoeken. De performatieve onderzoeken die ik hier aanhaal maken ook deel uit van de conclusie bij andere deelvragen. Ik zal het onderzoek kort samenvatten binnen deze deelvraag en bij volgende deelvragen hiernaar terugrefereren.
Dit onderzoek test deze hypothese door te zien wat de effecten zijn van het doorbrengen van een lange periode van tijd met een voorwerp. Een van de variabelen die ik in het artikel niet beschreven heb maar die wel van belang is, is het 'gebrek aan nut' van het dergelijke voorwerp. Zo hebben de voorwerpen waar ik het onderzoek mee heb uitgevoerd geen nut in de zin van dat het gebruiksvoorwerpen zijn. Hun enige doel op dat moment is om onderdeel uit te maken van het onderzoek.
1.1 'De Blokjes'
Het performatief onderzoek is uitgebreid terug te lezen in een eerdere blogpost. Een korte samenvatting van het eerste performatieve onderzoek over 'de blokjes' is als volgt. Ik heb het onderzoek van Jorrit Thijn gereproduceerd, waarbij ik een drietal metalen blokjes met me meedroeg voor tien dagen. De blokjes moesten warm gehouden worden.
Hierbij was er daadwerkelijk sprake van een proces van 'hechting' aan de blokjes. Ik merkte dat ik een verantwoordelijkheidsgevoel had tegenover de blokjes en dat ik me voorstelde dat ze pijn of verdriet konden ervaren. Dit verantwoordelijkheidsgevoel kwam naar mijn ervaring niet zo zeer door de tijd die ik had doorgebracht met de blokjes, maar eerder met de 'spelregels' die ermee gemoeid waren, waaronder de relatie tot een ander persoon. Hier zal ik verder op ingaan bij de deelvraag over 'context'. Wat ik merkte was dat er een duidelijke boog zat in hoe de doorgebrachte tijd bijdroeg aan de ervaring van bezieling. Het werd bijna een spel of een uitdaging om de tien dagen vol te maken, en omdat er een duidelijk eindpunt was, was het gemakkelijker om in die tien dagen een hechte band op te bouwen. Uiteindelijk veranderde de band met de blokjes, richting het einde van de tien dagen en daarna. Het zorgen voor de blokjes ging meer voelen als een 'taak' dan als iets wat ik deed uit een vorm van liefde. Daarmee verviel ook hetgeen wat ik ervoor 'terug kreeg', namelijk een gevoel van genegenheid, en was er voor mij weinig nut meer om tijd met de blokjes door te brengen.
1.2 'De Schroefjes'
Daarnaast heb ik hetzelfde onderzoek uitgevoerd met een klein zakje met schroefjes. Ik ga uitgebreid in op dit onderzoek in mijn eerder geschreven artikel. Ik heb als performatief onderzoek een monitor uit elkaar gehaald, waar ik op het moment zelf niet veel bij voelde, maar toen ik er achteraf op reflecteerde samen met mijn begeleider Jorrit maakte het veel bij me los. Had ik het ding zijn bestaansrecht ontnomen? Hoe zou ik ervoor kunnen zorgen dat het mij 'vergeeft'? Ik heb de monitor te rusten gelegd in een kist, op een witte doek, en heb de schroefjes die gebruikt waren om de monitor bij elkaar te houden in een zakje bij me gedragen. Hierbij merkte ik dat ik het belangrijk vond om contact met het zakje te houden via de huid, om zo een connectie met het ding te blijven voelen. Het doet denken aan mensen die kettingen met as van een overledene bij zich dragen, of aan het gegeven van een reliek binnen het Christelijk geloof.
Voor mij was dit onderzoek binnen deze context verrassend genoeg minder relevant. Omdat ik al een connectie en verhouding had tot de blokjes in de vorm van een context die voor mij persoonlijk van sterk belang was, had ik het niet nodig om meer tijd door te brengen met de schroefjes om de band sterkter te maken. Ik merkte juist dat ik graag de tijd met de blokjes wilde doorbrengen omdat ik op die manier mijn schuldgevoel kon verwerken. Op deze manier nam de factor tijd een heel andere vorm aan, in een soortgelijke context.
Conclusie: de factor tijd draagt zeker bij aan de ervaring van bezieling met een object, maar alleen in samenkomst met andere factoren zoals persoonlijke context in de vorm van spelregels (interactie) of projectie. Enkel het doorbrengen van tijd met een object is niet genoeg.
2. Welke rol speelt de factor beweging bij de ervaring van bezieling bij een object?
In een van de eerste gesprekken die ik had met mijn coach had ik het erover dat mijn ideale object zou kunnen bewegen. Ik ben voor een lange tijd gefascineerd geweest door robots binnen de context van dit project omdat zij in staat zijn tot beweging. Om hier verder onderzoek naar te doen heb ik het onderzoek 'Designing Robots with Movement in Mind' van Hoffman en Ju (2014) uitgepluisd, waarin ik de volgende conclusies als relevant voor dit onderzoek beschouwde.
Voor mij zijn de meest interessante bevindingen uit dit artikel dat het veel vruchtbaarder is om beweging in te zetten in robotica dan om te zorgen dat een machine visueel prikkelend of 'herkenbaar' is, bijvoorbeeld door menselijkheid na te bootsen. Dit werkt vaak juist averechts omdat het fenomeen 'uncanny valley' dan de kop op kan steken. Robots kunnen heel abstracte vormen hebben en met beweging nog steeds een heel specifiek verhaal overbrengen. Hierbij helpt het soms ook om te refereren naar dingen die wij herkennen, zoals getoond wordt in de robot installatie 'Shimon', een robot die twee schijven aan de zijkant van zijn 'hoofd' heeft, die refereert naar een koptelefoon. Shimon beweegt met het hoofd mee op de maat van de muziek, zoals mensen ook kunnen.
Daarnaast wordt ook het 'like me' principe aangehaald bij een robot die geprogrammeerd is om te fungeren als een luisterbuddy voor muziek, genaamd Travis. Doordat het hoofd verbonden is aan de telefoon met een draadje ontstaat het idee dat die, net als de kijker, naar muziek kan luisteren met oortjes. Hierdoor kunnen mensen zich in de robot herkennen: het is 'net als ik'.
In enkele verkennende playtests aan het begin van dit onderzoek, waarover in dit artikel meer te lezen is, heb ik playtests gedaan met een bewegende robot. Hierbij kwam ik tot de conclusie dat die playtest voor mij meer voelde als een onderzoek naar poppenspel dan als een onderzoek naar een niet- levend wezen. Desondanks is de conclusie dat beweging heel veel kan vertellen, een belangrijke conclusie om mee te nemen, ook in het ontwerp van het eindproduct.
Een opvallend detail die op verschillende momenten in het onderzoek naar voren kwam, waaronder een workshop van Ulrike Quade Company waarin er onderzoek gedaan werd met een Kuka, was dat imperfectie in beweging ook erg effectief is. Door imperfecte bewegingen zoals een hapering ontstaan er momenten die bij toeval iets kunnen betekenen in de interpretatie van de mens, waardoor het 'poppenspeleffect' enigszins teniet wordt gedaan. Hierdoor wordt de machine nog meer zijn 'eigen' entiteit.
In playtests is duidelijk naar voren gekomen dat, ondanks dat beweging sterk bij kan dragen aan de bezieling van een object, dat het niet noodzakelijk is. Mensen zijn ook in staat om een gevoel van bezieling te ervaren bij een object wat daar niet toe in staat is.
Conclusie: beweging kan een grote rol spelen in de ervaring van de bezieling van een object. Het kan een verhaal vertellen en het is ontzettend effectief om een context te schetsen waarin het object geobserveerd kan worden. Het werkt goed om het object bepaalde eigenschappen mee te geven die duidelijk met beweging uitgebeeld kunnen worden. Daarbij neigt een interactie met het object wel snel in de richting van poppenspel te gaan, maar dit hoeft geen probleem te zijn wanneer het doel van het onderzoek is om een ervaring van bezieling te creëren. Beweging werkt ook veel effectiever dan om te proberen een ding of machine 'echt menselijk' te laten zijn, dat werkt juist averechts.
3. Welke rol speelt de factor context bij de ervaring van bezieling bij een object?
De context waarin het object gepresenteerd wordt is een van de belangrijkste factoren gebleken. Dit is een van de conclusies geweest die duidelijk werd gepresenteerd uit het onderzoek 'acting like a robot' waar ik me in heb verdiept door een presentatie bij te wonen en de podcast te luisteren (Ulrike Quade et al. 2022).
Zoals Throughton (2019) het beschrijft in haar thesis dat de context waarin een robot gepresenteerd wordt onder andere bijdraagt aan hoe een mens zich tot de robot relateert. In deze ging het onderzoek specifiek over robots, maar in eigen performatief onderzoek is gebleken dat deze conclusies ook werken met niet-bewegende objecten.
Een context kan uit veel verschillende elementen bestaan. De hele situatie waarin je in aanraking komt met het object kan gezien worden als context. Wat is het verhaal? In welke ruimte kom je ermee in aanraking? Hoe wordt het object aan je gepresenteerd? Hoe moet je ermee omgaan? Er zijn talloze vragen die je hierover kan stellen. Een van de meest boeiende vond ik zelf de 'spelregels' die je meekrijgt in de context van hoe je met een object om moet gaan. Spelregels kunnen ook affordances zijn: hoe wordt het duidelijk wat je ermee kan doen? Daarnaast ook, wat verwacht het object van jou, wat moet je ermee doen en wat krijg je ervoor terug? In die zin worden de spelregels ook instructies voor de interactie die je met een object aangaat, wat een voorwaarde voor het bezielen van een object is vanuit de theorie van Jorrit Thijn (2016).
Wat betreft het onderzoek met de blokjes (waar ik bij deelvraag 1 een uitgebreidere uiteenzetting geef), merkte ik dat deze spelregels ervoor zorgden dat ik wist hoe ik me tegenover de blokjes moest verhouden en gedragen. Er was mij verteld dat ik de blokjes 'warm moest houden'. Dat zorgde ervoor dat ik in staat was om een behoefte en dus ook, gevoelens op het blokje te projecteren. Zoals besproken in mijn eerdere artikel over de definitie van bezielen is deze projectie die ik ervaarde een belangrijke voorwaarde om over bezieling te spreken bij een object binnen de context van dit onderzoek.
De context is in het geval van het onderzoek met de schroefjes voor mij geweest dat ik iets met het object had doorgemaakt. Ik had de schroefjes verkregen in de context van het vernielen van het apparaat, waardoor die schroefjes op die manier gekleurd waren in mijn interactie ermee. Dat zorgde ervoor dat ik duidelijk wist hoe ik me ertegen moest verhouden, namelijk met het 'inlossen van een schuld'.
Vooral in dat laatste onderzoek leg ik graag de link naar het concept alibi wat afkomstig is uit analoog game design theorie.
Zo is de context van de ervaring waarin ik me verhoud tot de schroefjes, de context van het onderzoek. Het deelnemen aan het onderzoek verschaft mij het alibi om me open te zetten voor het opzoeken van de verbinding met de spullen. De context van een ervaring, of die nu fictief of non-fictief is, zou de deelnemer aan een ervaring genoeg alibi moeten geven om mogelijke gevoelens en twijfels over het ervaren van een gevoel van bezieling bij een object.
Mocht het plaatsvinden in een fictieve context dan zijn ook de termen bleed in en bleed out relevant.
''In short, bleed occurs when feelings, thoughts, emotions, physical states, cognitive constructs, aspects of personality and similar "bleed over” from player to character or vice versa. When this spillover goes from player to character, we call it bleed-in, and when it goes from character to player, we call it bleed-out.'' (K. Hugaas, 2024)
De deelnemer kan bepaalde gevoelens en gedachtes in relatie tot de bezieling van een object opzoeken omdat ze hier binnen de context van de ervaring een alibi voor krijgen die ze buiten de context van de ervaring minder snel of niet zouden ervaren. Doordat ze deze alibi voelen, zijn ze sneller in staat om hun gevoelens echt toe te laten, en kunnen ze gevoelens van bleed-out ervaren: emoties die opgewekt worden in de ervaring die de deelnemer meeneemt wanneer de ervaring over is.
Deze principes worden ook getest in mijn playtest 'vind jouw bezield object' waar ik in het gelinkte artikel dieper op in ga. De conclusie van dit onderzoek was als volgt.
"De persoonlijke verhalen en context blijven iets wat mensen belangrijk vinden in relatie tot hun object. Ze hebben een bepaalde 'kapstok' nodig om hun ervaring van bezieling aan op te hangen, en dit kan dus de ervaring van tijd, respect of context zijn. [...] De factor tijd lijkt ook nog steeds interessant te zijn, maar minder sterk dan eerder gedacht. Met veel context en verhaal is het niet nodig om veel tijd met een object door te brengen."
(Ter verduidelijking: in de bovengenoemde quote haal ik kort de term respect aan. Dit was in een eerder stadium van dit onderzoek een punt van focus. Hierbij focuste ik me op de vraag of je sneller een ervaring van bezieling voelt als je respect voor een object hebt, of vice versa. Uiteindelijk bleek deze term beide te ongrijpbaar om concrete uitspraken over te doen. Respect is een heel subjectief iets. Daarnaast bleek dat respect veel minder relevant is in dit onderzoek dan de andere genoemde factoren, vandaar dat het in dit artikel achterwege is gelaten.)
Conclusie: de factor context is onmisbaar binnen het ervaren van een bezieling bij een object. De context is hoe je begrijpt hoe je je tot een object moet verhouden en hoe je ermee om moet gaan. De context kan veel verschillende vormen aannemen, van een gedeeld verleden, een narratief en 'spelregels' waar je je aan moet houden in de interactie. Met behulp van de principes van Alibi en character bleed wordt de deelnemer in staat gesteld om met behulp van een (fictieve) context hun gevoelens te onderzoeken.
4. Welke rol speelt de factor 'relatie tot een ander persoon' bij de ervaring van bezieling bij een object?
Deze factor slaat vooral op hoe de bezieling van een object wordt ervaren wanneer dat object niet alleen aan jou, maar ook aan een ander persoon gelinkt is. Dit is een factor die op natuurlijke wijze vaak verscheen binnen de onderzoeken en playtests die ik uitvoerde. Mensen gaven vaak aan dat ze zich op een specifieke manier konden verhouden tot een object omdat het object van mij of van iemand was. Dit duidt ook weer op de context waarin iemand een object ontvangt: in dat geval is de context gelinkt aan een ander persoon.
Hierbij wil ik een drietal voorbeelden aanhalen. Een voorbeeld was een opmerking van mijn klasgenoot Jessie die tijdens een voortgangspresentatie vertelde dat ze niet veel voelde bij de schroefjes toen ik ze voor het eerst liet zien, maar dat ze er wel gevoelens bij kreeg toen ik vertelde wat ze voor mij betekenden. Ook voelde ik een bepaald verantwoordelijkheidsgevoel tegenover de blokjes die ik in mijn onderzoek heb gebruikt omdat dit de blokjes 'van Jorrit' waren. En als laatste voorbeeld heb ik mijn klasgenootje Vika een object (een steen) meegegeven om 's nachts mee te slapen en heb ik haar gevraagd om mij te vertellen hoe ze zich aan het einde van die twee weken over de steen voelde, waarop ze antwoordde dat ze het leuk vond om 'met de steen van Janna' te slapen.
Of deze gevoelens ook bijdragen aan een gevoel van bezieling is moeilijk met zekerheid te zeggen. Het is duidelijk dat, wanneer een object een relatie heeft tot een ander persoon, dat dat onvermijdelijk bijdraagt aan de context waarin je het object ziet. Ook kan het zeker gevoelens oproepen. Ter vergelijking pak ik de definitie van 'bezieling' er nog even bij.
"De bezieling van een object gebeurt wanneer de interactor in staat is om hun gevoelens, gedachtes en aannames op het apparaat te projecteren. Dit gebeurt vaak door een interactie met een object aan te gaan, bijvoorbeeld door tijd te spenderen om het uit elkaar te halen of door het een naam te geven."
Conclusie: binnen deze definitie zou de factor 'relatie tot een ander persoon' niet direct bijdragen aan de ervaring van de bezieling van een object. Het gaat dan vooral over hoe je je voelt tegenover het persoon waar het object van is. Die relatie stuurt dan jouw blik en jouw projectie op het object. Het draagt wel bij aan de context waarin het object wordt gepresenteerd, en daarop doorbouwend zou het een ervaring van bezieling teweeg kunnen brengen.
Eindconclusie: welke factoren dragen bij aan de ervaring van bezieling bij een object?
Er zijn enkele factoren die duidelijk veel bijdragen aan de ervaring van bezieling van een object, waar de context waarin het object gepresenteerd wordt zich als de belangrijkste bewijst. De factoren tijd en beweging dragen ook veel bij, wanneer ze met een specifieke insteek worden gebruikt. Vaak zijn die insteken ook gerelateerd aan de context. De factor 'relatie tot een ander persoon' draagt minder tot niet bij aan de ervaring van de bezieling, maar wel aan de context, dus wanneer die goed ingezet wordt kan het een waardevolle bijdrage leveren.
Discussie
Zoals aangehaald in een eerder artikel is de definitie van 'bezieling' erg subjectief. De hier genoemde factoren zijn gedistilleerd uit een serie aan playtests en artikelen, maar zijn geen formule tot succes. Zo zal de context, die hier als belangrijkste factor naar voren komt, altijd anders geïnterpreteerd kunnen worden door verschillende deelnemers.
De performatieve onderzoeken die in dit blog worden gepresenteerd zijn grotendeels gebaseerd op mijn eigen bevindingen en bevindingen bij klasgenoten en bezoekers van de open dag van de HKU. Dit publiek is niet breed genoeg om een accurate weerspiegeling te geven van bijvoorbeeld het publiek wat naar exposure of een andere tentoonstelling zou kunnen komen. Hierdoor kan het zijn dat, zelfs als de eindervaring gebouwd wordt aan de hand van deze genoemde factoren, die niet in alle gevallen de genoemde effecten zou kunnen behalen.
Dit is echter, naar mijn idee, juist ook waar de spanning van dit onderzoek zit. Wanneer slaag ik er niet in om een ervaring van bezieling van een object bij een deelnemer op te roepen en waar ligt dat aan? Wat heeft die deelnemer dan nodig? Mijn interesse ligt juist in dat gebied en ik zou bijna willen zeggen dat ik niet kan wachten om dat gesprek met mijn deelnemers aan te gaan.
Bronnenlijst (APA)
Alibi - Nordic Larp Wiki. (2019). https://nordiclarp.org/wiki/AlibiDriessens, J.J.I. (2025, 21 februari). Performatief onderzoek: het sterfbed van de monitor. Bezieling in niet-levende wezens. https://jannadriessens.blogspot.com/2025/02/performatief-onderzoek-het-sterfbed-van.html
Driessens, J.J.I. (2025, 31 maart). Performatief onderzoek: objecten meedragen. Bezieling in niet-levende wezens. https://jannadriessens.blogspot.com/2025/03/performatief-onderzoek-objecten.html
Driessens, J.J.I. (2025, 31 maart). Playtest: vind jouw bezield object. Bezieling in niet-levende wezens. https://jannadriessens.blogspot.com/2025/03/playtest-vind-jouw-bezield-object.html
Driessens, J.J.I. (2025, 3 februari). Vooronderzoek. Bezieling in niet-levende wezens. https://jannadriessens.blogspot.com/2025/02/vooronderzoek.html#more
HKU, Ulrike Quade Company, & VU. (z.d.). Acting like a robot. Ulrike Quade Company. https://open.spotify.com/show/7cCKCukoaiCUUNlCEPhipn?si=e28f32e57b7243d1
Hoffman, G., & Ju, W. (2014). Designing robots with movement in mind. Journal Of Human-Robot Interaction, 3(1), 89. https://doi.org/10.5898/jhri.3.1.hoffman
Hugaas, K. H. (2024). Bleed and Identity: A Conceptual Model of Bleed and How Bleed-out from Role- playing Games Can Affect a Player’s Sense of Self. International Journal Of Role-Playing, 15, 9– 35. https://doi.org/10.33063/ijrp.vi15.323
J. Thijn (2016). BEZIELEN speculatieve ontwerpen om niet levende entiteiten te bezielen [Scriptie]. HKU.
Troughton, I. A. (2019). Feel with Me: From Simulation Theory to Empathetic Encounters in Human-Robot Interaction. https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/384013
Reacties
Een reactie posten